Uw partner voor Nieuws, Cultuur, Educatie, Informatie en Entertainment

Twitter Omroep Almere

  • Almeerse zaterdagclubs weer bij elkaar in de tweede klasse B.

Kerstfeest met de dieren

De judaspenning klappert wild in de wind. Haar zilveren peulen steken helder af tegen het bruin van de kale struiken er achter. Je kunt de kegelvorm van de dennenbomen mooi zien. De prunus heeft zijn blaadjes verloren en de els heeft alleen zijn proppen nog over. Op de grond ligt het vol dorre bladeren. De hulstbomen zijn glanzend groen en zitten vol met bessen. De dieren aan de bosrand hebben zich voor de winterslaap in hun holen teruggetrokken. De vorst kan niet bij hen komen. Hun harten slaan traag, om niet teveel energie te verbruiken.

Door het land loopt een karrenpad. Het pad loopt over het heideveld en verliest zich in de verte. Aan de horizon kun je tussen hoge bomen een kerktoren zien. Je zou er zeker een dorpje vermoeden. Het bos slokt het andere eind van het pad op. Kronkelend verdwijnt het tussen de stammen. Op het pad loopt een oude man. Hij heeft een warme jekker aan, een wollen das om zijn hals en een pet op het hoofd. Onder de pet komen een paar oorwarmers tevoorschijn. Zijn broek van zware stof ziet er uit, alsof hij er nog wel een broek onder aan heeft. Zijn gezicht zit vol haar. Lange haren van onder de pet, lange bakkebaarden, een snor en een grijze baard. Tussen snor en baard een kromme pijp met een grote kop. Een echte ‘neuswarmer’. Tussen al het haar een gebogen neus en een paar heldere, vriendelijke ogen. Om de ogen allemaal rimpels. De handen van de oude zitten in warme, gebreide handschoenen. De voeten in klompen. Het was een stralende winterdag geweest. Nu gaat de zon al bijna onder. Het lijkt wel of de horizon in brand staat. Er staat een koude oostenwind en de schemer komt langzaam over de velden aansluipen. De bosrand begint te donkeren.

Het is prachtig, maar ook eenzaam. Alleen de oude man, die langzaam de bosrand nadert. Om de paar passen komt de adem als damp uit zijn neus en maakt ijskristallen in zijn snor. Zo nu en dan is de adem blauw gekleurd, als hij weer een trek aan zijn pijp heeft gedaan. Hij is moe. Hij loopt de hele dag al. Hij is al verschillende dorpen doorgelopen. Geen mens had er een idee van waar hij weg kwam. Nu loopt hij het bos in. Zouden hier nog huizen staan? Het lijkt er niet op. Hij loopt steeds verder het bos in, terwijl het snel donker wordt. Alleen de wielsporen van het pad steken nog donker af, zodat hij op de weg kan blijven. Maar het wordt steeds moeilijker.

Het is nu zo donker geworden, dat de man niet meer verder kan. Hij staat stil. De wind huilt door de boomtoppen. Kreunend schuren de takken aan elkaar langs. Als de man naar boven kijkt, ziet hij heldere sterren. Die vormen de bovenkant van het pad. Als hij daar telkens naar kijkt, kan hij toch voorzichtig verder. Hij is wel koud, maar niet bang. Steeds dieper loopt hij het bos in. Langzaam verspreidt zich een zilveren glans over de boomtoppen. De maan komt op. Dan gaat het lopen weer vlotter. Plotseling verbreedt het pad zich. De bomen wijken terug. Een open plek in het bos. In het midden staat een picknicktafel met banken, gemaakt van doorgezaagde boomstammen. Eindeloos moe zakt de man op een bank neer. Zijn armen legt hij op de tafel en zijn hoofd zakt voorover. Ondanks de kou valt hij in slaap. Dat is gevaarlijk, beste man, moet je doodvriezen?

Maar de man weet dat hij hier op de goede plek is. Hij komt hier al jaren kerstfeest vieren. Het feest begint al snel. Hij droomt. Hij droomt van een heuvelhelling met schapen en herders. Van heel veel licht, midden in de nacht. Van engelen die zingen van “Vrede op aarde”. Prachtig is het. Dan ziet hij de herders opstaan en naar het dorpje in de verte lopen. Hij wil ook wel met ze mee, maar hij kan niet. Iemand houdt hem bij de schouder vast. “Laat me los”, zegt hij, “ik wil mee”. Maar dan antwoordt een stem: ”Wakker worden, het is zo ver”. De man komt overeind en ziet een jong meisje naast zich staan. Dik ingepakt in de kleren, in fijne bontlaarzen, een sjaal om en een wollen muts op. Onder die muts vandaan komt een massa lang blond haar. Door het maanlicht lijkt het wel zilver. De man kijkt haar verwonderd aan, maar dan begrijpt hij het. Vorige jaren was er altijd op kerstavond een oude vrouw op deze plek. Maar verleden jaar had ze gezegd, dat ze niet meer kwam. Haar taak zat er op. Het volgende kerstfeest …… ja, wat zei ze ook al weer? Maar ze zou de boodschap doorgeven aan haar kleindochter Maria. “Ben jij Maria?”, vroeg de oude man. Het meisje knikte alleen maar en haalde een zilveren fluit uit haar mantelzak. Ze deed het aan haar mond en speelde een wijsje. “Engeltjes door ’t luchtruim zwevend” Toen ze bij het Gloria was, kwam er geritsel in het bos. Aan het eind van het wijsje stak ze haar fluit weer in de zak. Maar moet je daar zien. Van alle kanten komen er dieren uit het bos. Konijnen, vossen, hermelijnen, bunzings, reeën, herten, zwijnen. Ze hebben allemaal iets bij zich. De kleine dieren brengen hooi en stro mee. De grotere allerlei takken. De wilde zwijnen trekken zelfs stukken boomstam achter zich aan. Ze leggen alles op een hoop. De dieren gaan er in een grote kring om heen zitten. De oude man tast in zijn broekzak en haalt er een doos lucifer uit. Die geeft hij aan Maria. “Lieve kind, steek jij het vuur maar aan”, zegt hij. Als het vuur even later hoog oplaait en de warmte uitstraalt naar alle kanten, begint de man te praten.

Hij vertelt de dieren het kerstverhaal, zoals vroeger Franciscus tegen de dieren sprak. Hij vertelt van de herders, van de engelen, het kind in de kribbe. Maar het verhaal van de herders heeft hij nog nooit zó mooi verteld. De dieren begrijpen het. Met grote vochtig glanzende ogen en gespitste oren zitten ze te luisteren. Ze begrijpen dat de oude man het echt zelf gezien heeft. Gezien in de droom. Net als verleden jaar de oude vrouw, de grootmoeder van Maria. Maar dan mag híj volgend jaar met de herders mee naar Bethlehem. Dan komt hij niet weer in het bos. Zo gaat het altijd. Zo houdt het kerstverhaal in het bos altijd zijn levendigheid en zijn warmte. De laatste keer dat iemand het mag vertellen, mag hij het eerst zelf zien.

Maria weet dat ook. Haar oma heeft haar alles verteld. Dat was in oktober. Ze heeft toen ook tegen Maria gezegd, dat die in het vervolg op kerstavond naar het bos moet gaan om het kerstfeest met de dieren te vieren. Een paar dagen later was haar oma overleden. Nu is Maria hier en ze vindt het prachtig. Ze loopt stilletjes bij de dieren langs. Hier kriebelt ze een wild zwijn tussen de ogen en daar streelt ze een hert over de nek. Een marter is op haar schouder komen zitten en een konijntje wipt met haar mee. De oude man herinnert zich ook hoe het altijd gaat. Hij denkt aan de vrouw, verleden jaar. Het vuur begint te doven, het verhaal is geëindigd. De oude man besluit met: “Beste vrienden, lieve dieren, lieve Maria. Volgend jaar mag ik met de herders naar Bethlehem, naar het kind in de kribbe. Maar Maria hoeft dan niet alleen bij jullie te komen. Ik zal alles aan mijn kleinzoon vertellen. Die heet net als ik: Jozef. Dan kan het kerstfeest in het bos toch door blijven gaan”.

Dan komen de dieren allemaal langs Jozef en Maria lopen. Strelen even met hun kop langs de voeten of de handen van de oude man. Maria geeft ze allemaal een kus op hun kop. Dan gaan ze stil terug naar hun nest. De maan staat heel koud en helder bijna recht boven de open plek in het bos. Je zou haast denken dat het de kerstster is. Maar Jozef en Maria voelen alleen maar warmte. Ze geven elkaar een hand en zeggen: “Tot ziens bij de kribbe in Bethlehem”. Dan gaan ze door de heldere maannacht weer naar huis, elk een kant op.

Het volgende jaar ontmoet Maria op het kerstfeest in het bos een jonge Jozef!

Henk Rusch


Reageren op dit bericht

*= verplichte velden.

Copyright © 2019 - Omroep Almere | HPU internet services | Powered by: CWM (Channel Web Manager)